Introductie
Deze pagina reserveren we voor diverse onderwerpen die een eigen plaats verdienen, maar niet passen bij de rest van het menu.
Het eerste onderwerp is een bijdrage van Rosalie Sprooten.
Het tweede stuk is ook van Rosalie Sprooten, uit haar boek Maastricht met en zonder rouge, 1995. Een briefwisseling tussen Rosalie en NRC-journalist Max Paumen. Dit is een selectie die betrekking heeft op Wolder.
Lammergierstraat 35 A/B
In den hook door Rosalie Sprooten
Het was in september 1969 dat ik in de krant een advertentie zag waarin een huis in Wolder te koop werd aangeboden. Mijn toenmalige echtgenoot en ik gingen er meteen op af. We waren de eerste belangstellenden. Het huis lag in de Lammergierstraat no 35. Er woonden twee echtparen, nl, Jeune Nicolaes met zijn vrouw en hun dochter. Zij was gehuwd met een spoorwegbeambte, meen ik. Ze woonden er samen met hun zoon. Toen de schoonzoon werd overgeplaatst naar Tilburg ontstond er een probleem. Het oude echtpaar kon er niet alleen blijven wonen. Per 1 oktober 1969 kochten wij het huis en een erbij horende grote tuin. Ernaast lag een onbewoonbaar verklaarde woning plus stal. In de stal stonden konijnenhokken en kennelijk had er kleinvee gestaan. Ik meen kalveren.
Het oudere echtpaar verhuisde naar Cadier en Keer waar een dochter woonde. Daar waren twee kamers vrijgemaakt waar ze konden wonen. Het was natuurlijk een goedbedoelde oplossing maar voor mensen die altijd vrij hebben gewoond en vooral een grote tuin gewend waren, was het pijnlijk. Hoelang ze nog geleefd hebben weet ik niet meer, maar meer dan een jaar zeker niet. Het was waarschijnlijk de dag voor Kerstmis 1970 dat in de kerk van Wolder twee doodskisten naast elkaar stonden. Ze waren in die week een dag na elkaar gestorven na zeker 60 jaar bij elkaar te zijn geweest.
De oude mevrouw was van de familie Marres. Helaas was zij een zg. voorkind. Hun buren, Jeng Theunissen en zijn gezin, woonden waar nu het atelier van Han van Wetering is. Het huis stond tot aan de straat. Het is afgebroken toen de boerenbond zich op dat terrein vestigde. Jeng Theunissen verhuisde met zijn vrouw naar Belfort.
De vrouw van Jeng was Anneke Marres. Tussen Nicolaas en Theunissen boterde het niet altijd. De inrit moest door Nicolaas, Theunissen en Jo Marres gebruikt worden.
Jo Marres had nl. zijn veld achter deze huizen liggen en had recht van overpad. Later is die grond door Han van Wetering gekocht.
Ook ik was verplicht Jo Marres met zijn landbouwvoertuigen doorgang te verlenen.
Toen de boerenbond mijn overbuur werd, is er een akkoord gesloten tussen hen en mij. Het recht van overpad werd door hen overgenomen.
Enkele jaren eerder had zich nog iets voorgedaan. Omdat wij een leegstaande stal hadden, overwogen we daar een garage in te maken. Ik zei dat aan Jeng Theunissen. Dat kan niet, meende hij, dan komt u altijd met twee wielen over mijn grond, want de inrit is voor driekwart van mij en voor een kwart van u.
Omdat ik meer dan genoeg grond had, wilde ik precies weten hoe de scheidingslijn liep. Het kadaster kwam opmeten en tot verbazing van menigeen bleek dat de hele inrit bij pand 35 hoorde. Die dag ben ik naar de smid gegaan en heb direct een afscheiding laten maken.
Nu was Jeng lid van de Groene, maar ook de smid.
Greta Jeurissen–Bastiaans, mijn rechter buurvrouw, wees me er op dat twee Groenen elkaar niet bijten. “Ik moet nog zien of de “Sjmeed” dat maakt. Maar de smid deswege gevraagd zei dat hij ook moest eten, hetzij van de Groene hetzij van de Blauwe. De dag dat de paaltjes in de grond werden geslagen stond Jeng er beteuterd bij. En in de straat had men leedvermaak.
In den Hook, zoals het hier genoemd werd, was vaak ruzie omdat Anneke Marres haar halfzus en haar man het leven zuur maakten. De oorzaak zou zijn, dat haar halfzus een voorkind was en dus uit zonde was geboren. Ik kan niet instaan voor de waarheid van deze versie, maar het is me vaker verteld. Van de familie Nicolaas weet ik dat ze gehinderd werd bij het gebruik van de inrit. Bij de koop was ons verteld dat we gezamenlijk recht hadden op de inrit, maar dat Jo Marres altijd doorgang moest hebben. Daartegenover stond dat hij de inrit niet vuil mocht achterlaten. Er kwam wel modder mee uit het veld, maar Jo had altijd schop en bezem bij zich om alles weer op te ruimen.
Onze rechterburen waren dus Leo Jeurissen, geboren in de Pletzersstraat op de boerderij. Het huis naast ons, waar de familie Bastiaens woonde, was in 1938 afgebrand. Die woning moet iets meer naar voren hebben gestaan, want volgens Greta is het nieuwe huis zo gebouwd dat het nu aansluit bij de huidige bebouwing in de straat. Leo Jeurissen is in 1975 overleden, waarna Greta ook naar Belfort verhuisde. Tot aan haar dood woonde ze in huize St Gerlach Biesland. In hun huis is ook Louis Bastiaens geboren die lang voorzitter van de harmonie is geweest en in de stad werkte als secretaris van de burgemeester. Naast Jeurissen woonde de familie Paulissen. Daar is ook de latere bisschop Paulissen geboren. Deze bisschop was waarschijnlijk een oom van Pie Paulissen die zo muzikaal was dat hij aangenomen werd in het L.S.O. Hij speelde vele jaren in het orkest. Hij overleed, te jong, aan een hartaanval.
Achter de onbewoonbaar verklaarde woning – na de scheiding en tot op heden mijn eigendom – lag een waterput. De bewoners van het huis Theunissen hadden het recht om door de gang van mijn pand naar de waterput te gaan. Dat was waarschijnlijk lang voordat Jeng met zijn familie daar woonde. Op oude kaarten is te zien dat het huis Theunissen en no 35 onderdeel waren van een boerderij en dat de put toen geen probleem moet zijn geweest.
Ik heb meer dan tien jaar in het huis no 35 gewoond. Na de scheiding van Rob van Grondelle, heb ik met vergunning, het pand 35-a bewoonbaar gemaakt en no. 35 voor drie jaar verhuurd. Daarna heb ik het pand verkocht. Thans wonen er Federico Santi, dirigent van Italiaanse afkomst, en zijn vrouw Barbara Haveman, operazangeres.
De voormalige stal, bij mijn huis, heb ik verbouwd tot een appartement en dit is door diverse huurders in de loop der jaren bewoond geweest. Het is officieel als no 35-b aan het woningbestand van de gemeente toegevoegd.
Wolder Pinksteren 2012
Your Content Goes Here
Hoofdstuk Wolder uit ‘Maastricht met en zonder rouge’
Correspondentie tussen Rosalie Sprooten en Max Paumen
Wolder
Lieve Max,
Maastricht, 28 juni 1993
Wolder, je hebt er zelf gewoond. Ik weet niet of er ten opzichte van de jaren zestig veel veranderd is. De verdraagzaamheid tussen de twee grote muziekkorpsen is gegroeid, dat weet ik zeker. (Harmonie Wilhelmina, waar veelal de arbeiders lid van zijn, worden de ‘Blauwen’ genoemd. In Harmonie Petrus en Paulus, of Pie en Pau, zitten voornamelijk agrariërs. Ze noemen zich ‘de Groenen’. Of die klassescheiding nu ook nog zo strikt opgaat zou ik niet durven zeggen.) Toen ik me hier in 1969 vestigde, gingen groen en blauw nauwelijks met elkaar om. Men bezocht niet elkaars cafés. Nu is vooral de muzikale rivaliteit hoog. Over enkele dagen begint het Wereld Muziek Concours in Kerkrade. Dat is een aanleiding om de spanning weer wat op te laten lopen. Vier jaar geleden werden er zelfs radio-uitzendingen van Omroep Limburg aan gewijd waardoor de tegenstellingen kunstmatig werden aangewakkerd. Fraai vond ik dat niet.
Afgelopen weekend hebben de Groenen alweer een jubileum gevierd en we hebben het geweten. Vier dagen lang een vreselijk lawaai in het dorp van orkesten die geen van alle zonder grote geluidsboxen kunnen spelen. Met heimwee heb ik terug gedacht aan de weidefeesten in het Mergelland als ik daar danste met de boerenjongens. Gewoon een accordeon met drumstel ernaast en dat gaf zo weinig geluid dat je er ook nog een aardig ge
sprek bij kon voeren. Maar nu was de muziek van de Janse Bagge Band voelbaar tot op de slaapkamer. Eerder op de avond trilde het gazon zelfs onder mijn voeten. En o hedendaagse zegeningen, het ging door tot ver na middernacht. Trillend van woede heb ik om tien over half een de politie gebeld waar een nuchtere juffrouw zei ‘dat er aan gewerkt werd’. Voor mijn verontwaardiging was geen enkele ruimte. Ik moest kwaad en vol spijt over mijn jaarlijkse financiële steun aan deze vereniging de nacht door. Een dag later ben ik op hoge poten naar de tent gestapt waar voorbereidingen werden getroffen voor een nieuwe aanval op mijn tolerantie. Het hoofd van een luisterende ‘Groene’ ging meelevend en begrijpend op en neer terwijl mijn stem almaar hoger en mijn bewegingen geagiteerder werden. Hij bood mij een gratis kaartje aan voor het optreden van Benny Nijman op zaterdagavond. Ik heb voor de eer bedankt.
Het verwondert mij telkens hoe dorps Wolder nog is terwijl de annexatie bij Maastricht al rond 1920 heeft plaatsgevonden. Onlangs werd de nieuwe pastoor ‘ingehaald’. Hij liep met de burgemeester voorop in een stoet, herdersschopje in zijn hand, familie, kerkbestuur en verenigingen er achteraan. Precies zo heb ik het gezien op een film uit 1936 toen in Epen een pastoor was benoemd. De jaarlijkse processie geeft mij ook zo’n gevoel van niet ouder te zijn geworden. Het grote huisaltaar op de Tongerseweg, kinderen die pas de eerste communie hebben gedaan mogen weer hun witte jurkje aantrekken, het zangkoor, de misdienaars met zwaaiende wierookvaten en de pastoor met het Allerheiligste onder een gouden baldakijn. De twee grote harmonieën maken van de gele-
[p. 51]
genheid gebruik om alles uit de kast te halen. Moet je Koen, de tamboermaître van de ‘Blauwen’ zien. Alsof hij dansend voor de troep uit loopt, zwaaiend met zijn armen en stok. Koen, met een grote snor, is de postbode van Wolder maar ook de commandant van de ‘stadssjötteriij’. Bij de ‘groene’ gaat het bestuur heel deftig in zwarte frak. Het ene jaar mag ‘Wilhelmina’ voorop lopen en het volgende jaar ‘Pie en Pau’, respectievelijk de ‘Blauwen’ en de ‘Groenen’. En zo is dat ook, ooit door een pastoor, voor de carnavalsoptocht geregeld, om onnodig krakeel te voorkomen. Er zijn namelijk ook twee raden van elf en dus ook twee prinsen.
Ik heb zo’n vermoeden dat er in Wolder weinig naar de tv wordt gekeken. Daar hebben de mensen geen tijd voor want het verenigingsleven is intensief. Uit die muziekkorpsen zijn diverse kleinere verenigingen ontstaan want als resultaat van een honderdjarige vete is hier alles dubbel. Zo is vrijwel ieder gezin betrokken bij de muziek. Er zijn wel zes voetbalclubs in deze kleine gemeenschap. Er is duivensport (mij een doorn in het oog), er zijn kaartclubs, spaarclubs en comités rond het kerkelijk leven. Aan de Tongerseweg is zelfs nog een nonnenklooster intact. Daar repeteert iedere woensdagavond het kerkelijk zangkoor waar uiteraard maar één van is. Ik ben er ooit nog drie jaar lid van geweest. Bijna iedere zondag ter kerke en vooral bij begrafenissen en huwelijken aanwezig zijn.
De Lammergierstraat, waar ik woon, heeft een merkwaardige benaming. Weinig mensen hebben ooit van die vogel gehoord. In de bijbel wordt hij beschreven als een onrein dier. Hoe komt zo’n naam hier terecht? Ik dacht
[p. 52]
aan een gier die lammetjes steelt maar misschien is er nog een andere verklaring: de gier van lammeren. De straat moet oorspronkelijk een holle weg zijn geweest want de huizen staan bijna allemaal vier of vijf meter hoger. Het is niet onmogelijk dat aan de ingang van de straat een schapenhoeder heeft gewoond. Op een oude akte van mijn huis staat nog ‘Lemmegierstraat’. Omdat de huizen boven op de berm staan, zijn vooral de laatste tien jaren, ingegeven door een smakeloze tuincultuur, nogal wat bakstenen muren geknutseld waar dan bloemen op geplant zijn. Tot enkele weken geleden waren er nog twee prachtige oude verweerde mergelmuren over. Zo passend bij deze streek. Ik kon wel huilen toen er weer een verdween onder zo’n bakstenen monster. Protesteren heeft niet veel zin, die eenvormigheid vindt men kennelijk mooier. Bij gelegenheid zullen we die ene overgebleven muur bekijken. Er groeien allerlei planten en bloemen uit voegen en scheuren.
Ik heb eigenlijk nooit veel bijzonders gemerkt van de ligging van het dorp zo kort bij de grens. In Epen was de kleine smokkel zoiets als een sport. Ik denk dat vrijwel iedereen daaraan meedeed. Het was een kat-en muisspel met de douane. De grens loopt hier in het midden van de Diependaalseweg. De Nederlanders kunnen bij de Belgen het eten op tafel zien staan. Dat moet toch tot smokkel hebben geleid. Het grenskantoor dat er al tijden staat is nu leeg. ‘Geen ex-gedetineerden in Wolder’, heeft iemand op het raam geplakt. Een herinnering aan het Wolderse verzet tegen de komst van deze groepering. Een zitting in het gemeenschapshuis kon kennelijk de bezwaren niet wegnemen.
[p. 53]
Toen jullie hier nog woonden waren er nog veel boeren die hun grond hadden in Daalhof en aan de tegenwoordige Goudkust. Nu is ongeveer alles wel onteigend en wordt er goed gerentenierd. Aan de zuidkant is een nieuwe wijk gekomen met uitzicht op België waar uiteraard vooral mensen van buiten het dorp wonen. Ondanks de uitbreidingen heeft Wolder zijn dorps karakter behouden. Eén traditie bestaat niet meer: het verbranden van de kermis op dinsdagavond. Ik heb vaak meegemaakt dat jongeren brandbaar materiaal verzamelden om het op de Tongerseweg tegen middernacht in brand te steken. Altijd moesten de politie en de brandweer uitrukken, want het werd wel op drie plaatsen tegelijk aangestoken. Heel gevaarlijk voor het verkeer. De dag erna was de schade aan het asfalt goed zichtbaar. Een wethouder heeft me verteld dat de herstelwerkzaamheden neerkwamen op 20.000 gulden per kermis. En dat dus twee keer per jaar. ‘Daders’ werden nooit gevonden. Zowel de vorige pastoor als de wethouder hebben nog geprobeerd om het kermis verbranden op het kerkplein te organiseren maar dat is niet gelukt. Dat was niet spannend genoeg. Ik geloof niet dat we er rouwig om moeten zijn dat die traditie ten einde is.
Rosalie
Lieve Rosalie,
Sint-Michielsgestel, 6 maart 1993
Wolder; dat wordt ongetwijfeld een van de langste brieven. Ine, ik en onze drie kinderen hebben drie jaar ge-
[p. 54]
woond op Wolder zoals ze daar zeggen. We gingen er weg in het jaar (1969) dat jij er blijkens je brief bent komen wonen. Om kort te gaan: het was de mooiste tijd van ons leven. We woonden aan het Vossenvoetpad 5, tegenover de familie Von Pey die er nog altijd woont. Onze zoon Max, toen een jaar of 3, had een bijzondere relatie met Marjoke von Pey die even oud was en schattige blonde krulletjes had. Bij het krieken van de dag – één keer zelfs middenin de nacht – stond Marjoke met haar snuitje achter het raampje van de voordeur naar ons huis te kijken of ze Maxje niet zag. Er is verder overigens geen bestendige relatie uit gegroeid.
In de straat woonden aan de ene kant de mensen, zoals wij, die een moderner huis hadden dan de mensen aan de overkant, maar zo modern waren ze ook weer niet want lange tijd hebben we ons van een beerput moeten bedienen. Dat onze huizen mooier waren vonden die mensen aan de overkant tenminste zelf, want al was de buurtgeest zeer goed, toch was er sprake van een zekere scheiding tussen allochtonen en autochtonen. Dat verhinderde niet dat de onderlinge hulp enorm groot was. Als Ine wel eens ziek was en geen eten kon koken dan kwam Agnes von Pey tussen de middag de straat oversteken met een dienblad vol warm eten. Met de familie hebben we 25 jaar na datum nog altijd een hartelijke relatie.
Vanuit de achtertuin hadden we een vrij uitzicht over Maastricht, want de nieuwbouw was er toen nog niet. Aan de Oude Wolderweg grensden de velden met de gewassen; daar rook het altijd naar prei en uien. Aan de
[p. 55]
overkant kon men de Campagne zien liggen en verderop het Jekerdal inkijken. Aan de Oude Wolderweg woonde ook de melkboer die nog met kar en paard de melk aan huis bracht. Eens in de week kwam er de marskramer Kemmerling met zijn kar getrokken door een ponypaardje zijn waren aanbieden. We hebben van hem tegen een schappelijk prijsje een Saksisch servies gekocht dat nog altijd in ons bezit is.
Door het Vossenvoetpad trok ook de jaarlijkse processie met, zoals je terecht opmerkt, de ene keer ‘de Greune’ en de andere keer ‘de Blauwe’ harmonie voorop. De kunstenaar Felix van de Beek, die nog altijd aan de Tongerseweg woont, versierde dan de straat waarop een kleurrijk zaagseltapijt werd ‘uitgerold’. Eens maakte hij met kleurkrijt het ‘Lam Gods’ maar in plaats van vier gaf hij het vijf poten zodat het het schaap met de vijf poten werd, destijds een populair tv-programma. Niemand die het in de gaten had.
Aan het einde van het ‘Vossepaad’ zoals de Woldernaren zeiden werd het rustaltaar voor ‘Ons Heer’ opgericht. Dat altaar werd door het jaar heen opgeslagen in een boerderij die achter ons huis aan de Tongerseweg grensde. Daar woonde eerst een ordentelijke familie. De man werkte als uitvoerder in de bouw. Ze hadden een dochtertje dat Daniëlle heette en dat een kleine dondersteen was en deswege door haar moeder werd aangeduid met nondesjuuse toej. Na de familie werd de boerderij het onderkomen voor hippie-achtige types. Die hadden het rustaltaar kennelijk als bar gebruikt en het in kakelbonte
[p. 56]
kleuren beschilderd, dus toen het andermaal voor de processie moest worden opgesteld stond daar een schreeuwend geheel wat overigens de devotie en zeker ook de pret niet kon drukken.
Met ‘de Greune’ heb ik eens een keer een flinke aanvaring gehad. Ze waren op concours geweest en hadden daar in de hoogste afdeling het hoogste aantal punten gehaald. Die avond verschenen er op het wegdek van de Tongerseweg wonderlijke (gekalkte) rekensommetjes, waarschijnlijk daar aangebracht door adepten van ‘de Blauwe’. Het rekensommetje suggereerde dat ‘de Greune’ zich hadden bediend van gastmuzikanten. Ik berichtte daarover in De Nieuwe Limburger. De dag erop meldde zich daar iemand aan het loket: het was een bestuurslid van ‘de Greune’ die me uit woede ongeveer door het loket heentrok. Naar aanleiding van de publikatie zegde zowat de helft van de Woldernaren behorende tot het kamp van ‘de Greune’ hun abonnement op en schakelde over op het Limburgs Dagblad. Thuis werd ik door anonimi opgebeld met dreigementen. Ine ging ’s nachts, als ik dienst had op de krant, gewapend met de paraplu naar bed. En ik lette bij het naderen van de oprit van ons huis (per bromfiets, merk Kapitän Mobilette) extra op de struiken om te kijken of zich daarachter iemand met kwade bedoelingen ophield.
Op de krant waren de rapen behoorlijk gaar. De weglopers moesten weer terug gewonnen worden. Laf als ik toen – en nu nog – was heb ik een verzoenend en een Wolder verheffend artikel geschreven waarbij ik mijnheer pastoor Hennekens uitvoerig aan het woord liet. Die trad naast zieleherder ook op als burgemeester van Wolder.
[p. 57]
Hij was trouwens familie van de Els Bitter uit Beek. Deze pastoor was er alles aan gelegen om de populatie op de twee lagere scholen – een voor meisjes, een voor jongens – op peil te houden. Daarvoor liep hij het stadhuis plat voor nieuwe woningen. Toen hij ons huis kwam inzegenen, wat in die dagen nog gebruikelijk was, besprenkelde hij de echtelijke sponde rijkelijk met wijwater en ziet: negen maanden later was ons derde kind er.
We gingen toen nog wel naar de kerk, zij het dat het heilig vuur al danig begon te doven. Je ging door de holle weg die Winterslag heette en waarvan een deel in stand is gehouden. Langs die holle weg woonden in die dagen nog een paar ongetrouwde zussen met een ongetrouwde broer. Een van de vrouwen was altijd bezig met iets uit te kloppen als we langs kwamen. Zo ontstonden er gesprekken. Ze waren niet weinig nieuwsgierig. Om dat te bevredigen nodigden we ze bij ons thuis uit en vertelden ze precies hoeveel huur we betaalden en wat de aankleding van ons huis had gekost. Vooral verbazing wekte het bij de autochtonen als je klusjes rond en aan je huis door vaklui liet doen; dat behoorde je zelf te doen, zo niet dan was je maar een huisvader van niks. We schakelden bij voorkeur mensen uit Wolder in.
Nog goed kan ik me de huwelijken en communiefeesten herinneren die in onze straat plaats vonden. Dan ging je van huis naar huis en pas tegen de avond keerde je in licht benevelde toestand weer huiswaarts. Na het huwelijk van een dochter van onze overbuur Willems kwamen op een middag er na – zoals kennelijk te doen gebruikelijk – de vrouwen van de straat bij elkaar om over
[p. 58]
de feestelijkheden na te praten; dat was een aangelegenheid waarbij mannen taboe waren. Met een andere overbuurman heb ik me toen als vrouw verkleed en aldus zijn we het dameskransje binnengedrongen waar we ons buitenissig te goed deden aan alcoholische dranken.
Toen Ine in gezegende staat was van onze jongste dochter en op medisch advies in een ziekenhuis diende te bevallen, hebben we een paar keer een merkwaardige kaarsenbranderij meegemaakt. Het was gebruikelijk dat als een vrouw was uitgeteld de bewoners in de straat achter de ramen kaarsen opstaken. Als de kaars op was, was het kindje geboren. Een paar keer hebben we – ongewild – de straatbewoners in verlegenheid gebracht als we even het huis uitgingen om een frietje te halen of iets dergelijks. Dan gingen de kaarsen aan omdat men dacht dat het zover was, maar als we terugkwamen werden ze schielijk weer uitgeblazen.
Wolder, jij parel aan de kroon van Maastricht; jij hebt ons de mooiste tijd bezorgd van ons leven en bij jullie, Woldernaren, hebben we ons bijzonder op ons gemak gevoeld. Als je je maar niet te hooghartig gedroeg dan waren jullie bereid jullie gastvrije harten te openen en dan sloot je met jullie vriendschappen voor het leven. Toen we in 1969 het dorp verlieten, hebben we in elk huis van de straat koffie met vlaai gekregen. Toen de verhuiswagen de Tongerseweg opdraaide, stonden de straatbewoners ons nog lang na te wuiven. Er is toen menig traantje weggepinkt.
Groet Max
===========================================
Hoofdstuk Tongerseweg/Kerkhof uit ‘Maastricht met en zonder rouge’
Tongerseweg/Kerkhof
Lieve Max,
Maastricht, 31 oktober 1993
De bomen op de Tongerseweg zijn nu helemaal kaal. Het is tijd om de doden weer te herdenken. Op het kerkhof zijn de grafstenen met borstel en zeep van de groene aanslag ontdaan. Nieuwe bloemen worden geplant, vooral winterviolen, en de verlepte verwijderd. Vrachtwagens vol dorre bladeren zijn door mensen van de plantsoenendienst van de graven en paden geveegd en afgevoerd. Al dagen van te voren staan bij de ingang aan de Javastraat bloemenstalletjes met chrysanten in alle maten, speciaal gekweekt voor het katholieke zuiden, waar ze grif worden gekocht. De kleine bloemen voor de smalle beurs en de grote gele of donkerrode voor wie meer te verteren heeft. Ook de dood is onderhevig aan de wetten van de welvaart. Tot vorig jaar was ook bij de ingang aan de Tongerseweg zo’n verkooppunt maar om reden van verkeersveiligheid is dat nu vervallen. Vooral op Allerheiligen-zondag was het een complete chaos van auto’s, bussen en bezoekers. Dit jaar was ik voor het eerst op het kerkhof in Maastricht, om het graf van mijn broer, die in februari overleed, te bezoeken. De hoofdlaan is nu prachtig. De kruinen van de grote beuken vormen een goudgeel vorstelijk gewelf. De dennen en tuja’s bepalen mee de sfeer van rust die er heerst, hoewel je het verkeer voorbij hoort rijden. De oude monumenten, sommige wat scheef, maar bijna allemaal gepatineerd door de tijd, la-
[p. 60]
ten ook iets zien van de deftigheid die Maastricht als een hoed met veren altijd heeft gedragen. Eigenlijk zou na dit leven dat verschil in arm en rijk niet meer moeten bestaan maar eenvormigheid zou ook een verarming van de dodenritus betekenen. Ik bezocht ooit een kerkhof in Ecuador waar de rijken echte kapelletjes op hun graven lieten bouwen. Het was in de tijd dat mijn socialistische gevoelens begonnen te ontwaken en ik had daar dus grote moeite mee. Maar nu denk ik dat de rijken inderdaad hun geld maar in fraaie beelden moeten steken. Iedereen kan er van meegenieten. Dit kerkhof verzoent mij een beetje met de dood, zo mooi is het hier. Ik heb er nog het graf ontdekt van een ver familielid dat enkele maanden na mijn geboorte op veertigjarige leeftijd overleed. Hij ligt onder een verweerde zware steen. Daarnaast een graf zonder enige aanduiding. Ligt hier een zwerver? De laatste loot aan een stam? Een verschoppeling?
Het kindergedeelte ziet er wat treurig uit. Sommige grafjes zijn goed verzorgd en met bloemen beplant, andere zijn versierd met huisvlijtproduken in vergane staat. Naambordjes schots en scheef. Zo ook op het ommuurde joodse gedeelte. Veel verzakte stenen en perken vol onkruid. Ik lees de namen en sterfdata en bedenk dat zij ontkomen zijn aan de holocaust en nu werkelijk in vrede rusten. Mijn broer heeft op dit gedeelte als steenhouwer nog een aantal monumenten gerestaureerd.
Jammer dat het graf van Pierre Kemp hier niet is want dat had ik graag bezocht. Zo onder die hoge bomen, dat leek me wel wat voor hem. Mathias Kemp en zijn vrouw liggen hier wel begraven.
[p. 61]
Bij het grijswitte graf van Marie Koenen staat een bankje waar je kunt neerknielen voor een gebed. Schuin er tegenover een zuil. Heel ongewoon in deze omgeving. Aan de vele bekende namen die ik er zie merk ik dat ik al lang in Maastricht woon. Maar de echte Woldernaren laten zich niet aan de Tongerseweg begraven, geloof ik. Die blijven toch liever dicht bij de kerk in het dorp.
Ik sta er versteld van hoeveel mensen nog naar het kerkhof gaan. Duizenden, denk ik, die er bloemen brengen of anderszins het graf van een familielid versieren, en dat alles ondanks de ontkerkelijking. Rond Allerheiligen is ieder kerkhof in deze streken een bloemenpark. Kom je een week later, dan zijn de meeste potten met chrysanten en bloemstukken al door nachtvorst beschadigd of door een najaarsstorm een eindje verderop geschoven. De weelderige kleur heeft hier een kort leven.
Het graf van mijn broer trekt nogal wat belangstelling. Mensen blijven er staan, lezen zijn naam en kijken naar het manshoge monument. In het jaar voor zijn dood heeft hij het eigenhandig gekapt. Hij is daardoor voor mij nog zo aanwezig. Die inslag van de beitel ken ik als zijn handschrift. Ik weet niet hoelang hij er aan gewerkt heeft. Iedere klop van de hamer moet hem dichter bij de dood hebben gebracht en dat wist hij. Ik realiseer mij dat iedere keer als ik zijn graf bezoek.
Ofschoon ik al vijfentwintig jaar bijna dagelijks voorbij het kerkhof rijd of fiets, was ik er voor de dood van mijn broer maar hooguit drie keer geweest. Nu kom ik er wekelijks en altijd zijn er wel mensen met bloemen of gewoon wandelaars, meestal ouderen. ’n Man alleen of een vrouw met tasje die zo’n beetje slentert, je kunt van bijna
[p. 62]
iedereen die er loopt het verhaal van dood en verlies aflezen. Als je al die geboorte- en sterfdata ziet van bijna twee eeuwen onder die misschien wel net zo oude bomen dan ga je het gestresste leven van alledag met andere ogen bekijken. Of heb jij die ervaring daar nooit gehad? Liggen jouw ouders in Oostermaas begraven? Weet je dat ik daar nog nooit ben geweest.
Eens te meer heb ik gezien hoe de doden hier gekoesterd worden. Van de dichter Frans Budé hoorde ik dat hij en zijn vrouw de zorg hebben over zes grafstenen die ze jaarlijks onderhouden. Maar misschien is dat iets van de katholieke zuiderling en is de Hollander daar te nuchter voor.
Ik hoop niet dat deze brief je op nare gedachten brengt maar onze toekomst ligt uiteindelijk toch, hetzij in een urn, of in een graf. Maar voor het zover is hoop ik nog een aantal boeken te schrijven.
Rosalie
Lieve Rosalie,
Sint-Michielsgestel, 24 november 1993
Je hebt mooi en ontroerend geschreven over het kerkhof aan de Tongerseweg. Daar staat inderdaad de tijd stil en beseft men dat men vroeg of laat tot stof zal wederkeren. Er liggen ook nogal wat van mijn kennissen en vrienden begraven, maar geen familieleden. Mijn vader en moeder liggen op Oostermaas dat qua aankleding niet kan tippen aan de Tongerseweg. Ik vind het op Oostermaas kil en kaal en ik zou mijn ouders ook liever in de majestei-
[p. 63]
telijkheid van de Tongerseweg ter aarde hebben besteld, maar zo gaat dat nu eenmaal: de boeren aan de overkant van de Maas in Wyck behoren aldaar begraven te worden: onderscheid moet er zijn.
Ine en ik hebben iets met kerkhoven. Op twee van onze vier woonadressen waren we er dichtbij: in Wolder bij dat van de Tongerseweg en nu in Sint-Michielsgestel vlakbij de openbare begraafplaats waar het op Allerheiligen en Allerzielen ook weer een gesleep was met chrysanten. Aan die bloemen heb ik een grondige hekel omdat ik ze zo ‘overfokt’ vind en ze me altijd aan de dood doen denken en wie denkt er nu graag aan de dood al zal hij eens onherroepelijk toeslaan? Weet je dat ik stiekem altijd bid voor een zachte dood? Sinte Barbara, die ook van de mijnwerkers is, is daarvoor de intermediair naar de hemel.
Ik veroorloof me even een uitstapje naar het Brabantse plaatsje Gemonde – want ook hier is het leven goed – dicht in de buurt van Sint-Michielsgestel. Daar is een allerlieflijkst en intiem door populieren omgeven kerkhofje waar we graag mogen toeven. Daar ontmoetten we laatst een wenende vrouw die met een stoffer het graf van haar man aan het schoonmaken was. We raakten aan de praat en we gingen zo op in het gesprek dat Ine plotseling met haar voet verdween in een gat vlak naast het graf.
Ine en ik hebben op Allerheiligen altijd voor de Vincentius gecollecteerd aan de ingangen van het kerkhof voor de armen. Een vaste bezoeker van de begraafplaats tijdens Allerheiligen was de toenmalige burgemeester van Maastricht, mr. W. baron Michiels van Kessenich. Als hij
[p. 64]
ons zag staan deed hij net of hij zijn portemonnee uit zijn achterzak haalde maar daar was hij dan zo lang mee bezig dat hij ons al voorbij was voordat hem het kunststukje was gelukt en dat moesten we – tot ons niet gering vermaak – herhaaldelijk vaststellen. (Voor het lidmaatschap van Vincentius heb ik me overigens nooit geschaamd hoewel die activiteiten in de ogen van het volk iets weg hadden van bedeling en betutteling. Maar ik kan tot mijn eer zeggen dat ik nooit met voedselbonnen heb gewerkt, maar de mensen hielp bij het opknappen van hun woning of hun verhuizing als ze wegens huurachterstand weer eens op straat waren gesmeten).
Onlangs nog begroeven we op de Tongersewegeen goede, oudere vriendin en een van haar zonen speelde aan de open groeve op zijn trekharmonica het lied ‘Vaarwel, vaarwel Limburg Landj’ van Jo Erens, terwijl hij er bij zong: ‘Heur ze same leidjes zinge bie de meister in de klas, in de sjpeeltied bökske springe, vieftien stjein in eine pas’. Daar sprongen ons de tranen van in de ogen. Olterdissen ligt er toch ook begraven? In zijn opera De kaptein vaan Köpenick komt, als ik me niet vergis, het liedje voor van de stedelijke klerken die ‘zweite vaan het werke’ en die in de registers neerschreven wat men per kop betaalde aan belasting maar ook ‘wee de Tongersepoort oetgeit’ dat wil zeggen op de Tongerseweg werd begraven.
In een Luxemburgs dorpje zijn we eens op zoek geweest naar het graf van een vrouw. Het was een van de twee vrouwen die zich mysterieus ophielden in het plaatselijke hotel en van wie er een altijd stiekem medicijnen stond te slikken in een duistere gelagkamer. Dat hotel maar vooral de eigenaar werkte stevig op onze fantasie.
[p. 65]
De hotelbaas deed ons een beetje aan Blauwbaard denken dus dachten we, toen we er bij een volgend bezoek de medicijnenslikkende vrouw misten, dat hij ze misschien wel had vergiftigd. Vandaar ons – overigens tevergeefs – bezoek aan dat kerkhof.
De afgelopen weken is ook aan mij de dood niet voorbijgegaan. Twee goede collega’s stierven in twee weken tijd. Ze werden beiden gecremeerd. Wat een gruwelijk afscheid met één kopje koffie en een plakje cake achteraf. Geef mij dan maar de zuidelijke begrafenissen met een koffietafel en een stevige borrel na afloop. Zo geef je de bezoekers in ieder geval wel de kans om te rouwen. Al ben ik dan niet kerks, ik wil een plechtige uitvaartdienst in de kerk. Dat moet te regelen zijn voor een paar rooie ruggen. Een verrader hoef ik me er niet door te voelen met al die pastoors van tegenwoordig die van twee walletjes eten: een vrouw bekennen en toch zo gaarne op zondag het h. misoffer opdragen.
Dat de joodse graven op het kerkhof aan de Tongerseweg zo onderkomen zijn zal wel een kwestie zijn van geldgebrek of zo want eigenlijk vatten joden het onderhoud ervan op als een verplichting aan de overledenen. Versiering met bloemen en kransen kennen ze niet. Wel leggen ze vaak bij een bezoek aan het graf een of meer steentjes neer. De joodse begrafenisrite kenmerkt zich door eenvoud. Iedereen wordt begraven in een kist van zes ongeschaafde planken. Omdat hun graven niet geruimd mogen worden kun je op die kerkhoven soms stenen van wel twee honderd jaar zien.
Wees gegroet van Max.
======================== ===============================
Hoofdstuk Louwberg uit “Maastricht met en zonder rouge’
Louwberg
Lieve Max,
Maastricht, 23 november 1993
Ik ben maar eens met de honden naar de top van de Louwberg gelopen om deze beroemde en belangrijke stad op afstand te bezichtigen. Sinds twee jaar is Maastricht de voordeur van Europa, de broche op de Europese mantel. Vandaag is Simon Peres in de stad en de Argentijnse president Menem en zij zullen er niet alleen zijn. Hilversum houdt mij daarvan op de hoogte. In het MECC wordt de ‘Global Panelconferentie’ gehouden waar politici en ‘Captains of Industry’ met elkaar discussiëren over zaken van wereldbelang.
Het is een bevroren zonnige dag. Het pad van de Louwberg is glibberig en glad. De boeren zijn overvallen door de veel te vroege sneeuw en vorst van de laatste week. De winter is ongenadig snel gekomen dit jaar. Halverwege de helling wordt met man en macht gewerkt om de bloemkolen uit hun schutbladeren te kappen. De glazige gele kleur doet mij het ergste vrezen. Twee grote tractoren trekken diepe sporen in de aarde want de zon heeft de bovenlaag ontdooid. Blauwe plastic kratten staan gestapeld in het veld en detoneren danig met het uitzicht. Een grijze personenauto staat er plompverloren tussen. Naast het grote perceel bloemkolen staan tien rijen savooiekool. Van dichtbij is dat een prachtig gevormde groente. Heel donkergroene bladen als een grote rozet om een bijna volmaakte bol, die in het midden
[p. 68]
lichtgroen afsteekt. Nerven als ragfijne gele draden aan de buitenkant. De spruitjes, hogerop, moeten nog groeien. Ze zitten verborgen onder de afhangende bladen en laten zich zo van de zielige kant zien, een perceel vol. Het lijken wel vrouwtjes met te veel kleren aan. De appelbomen die twee jaar geleden werden geplant hebben ontzettend veel opgebracht. Jammer genoeg worden ze om de haverklap bespoten met chemicaliën zodat de kleurige vruchten mooier lijken dan ze eigenlijk zijn. Dat kun je met recht boerenbedrog noemen. Nu zijn de bomen helemaal kaal. Op de grond liggen honderden kilo’s Jonathans en Golden Delicious die menig gezin graag zou hebben geraapt. Ze zijn allemaal bevroren en ze zullen gaande de wintermaanden ter plekke verrotten. De zon staat laag. De stad ligt er tamelijk gewoontjes bij, je zou kunnen zeggen dat Maastricht ondanks alles eenvoudig is gebleven. Over België hangt een beetje nevel, vooral boven het Albertkanaal. De zon heeft in het witte landschap kleine barsten gemaakt waar de kleur van de aarde doorheen komt. De kerk van Vroenhoven en de watertoren van Veldwezelt zijn goed zichtbaar. Links in het dal staan vier huizen met bomen en rode daken, als een nederzetting, om het uitzicht idyllisch te maken. Jammer dat er zo’n lelijke moderne boerenschuur bij staat. Maar het is net over de grens, dus de schoonheidscommissie van de stad is hier niet aan te pas gekomen. Het is een rustig, wat weemoedig Vlaams landschap, nauwelijks glooiend. Enkele jaren geleden is er een groot houten kruis op het plateau van de Louwberg gezet, dat nu kaal daar de aandacht trekt. Indrukwekkender is de eikeboom die er bovenuit steekt. Het zou mooier zijn als er zo’n
[p. 69]
verweerd of verroest kruis had gestaan zoals je ze nog bij honderden in het Limburgse land kunt vinden maar het vorige werd helaas gestolen voordat de tijd er zich in vast had kunnen bijten. Het vierkante gebouw van Rijkswaterstaat is door struiken en bomen gelukkig aan het zicht onttrokken. Daarnaast ligt het voormalige gebouw van de jezuïeten dat al jaren door particulieren wordt bewoond. De hoge bomen aan weerszijden van de lange laan zijn al van ver zichtbaar. Van daaruit kijk je uit over het prachtige Jekerdal. Ik denk dat Henric van Veldeke ongeveer op die plek heeft gezeten toen hij in zijn ‘Sint Servaes Legende’ (1170) over Maastricht schreef:
In eynen dall scoen ende liecht
Effen ende wael ghedaen,
Daer twee water tsamen gaen,
Eyn groot ende cleyne,
Claer, schoen ende reyne;
Dats die Jeker ende die Mase.
Vanaf de Louwberg is het begin van de stad goed te zien. De lintbebouwing, die feitelijk in België begint, is als een lijn die steeds breder wordt. Eerst zie je de huizen aan de Tongerseweg, dan die van Wolder en Daalhof. Toen ik hier kwam wonen keek ik vanaf dit punt alleen maar over weilanden en velden. Nu begint de nieuwe wijk van Wolder al direct in het dal. Werkelijk als een nooit te vergeven doodzonde steken de drie grote flats van Daalhof boven alles uit. Het zijn hinderlijke elementen in dit uitzicht en dat is ook wel te zeggen van de hoge witte verbindingstoren van de PTT. De rest van de stad ver-
[p. 70]
bergt zich achter de bomen die rond het huis staan, dat Louwberg heet. De grens, die hier kriskras door het landschap loopt is aan de palen te volgen. Wolderse boeren hebben hun land nog steeds aan de overkant, dat wil zeggen in België. Nu maakt dat niet meer uit. Mijn honden komen nu bijna dagelijks in het buitenland. Op zo’n wandeling kan het gebeuren dat we wel vier keer de grens passeren. En nog steeds meen ik te ruiken waar België begint.
Rosalie
Lieve Rosalie,
Sint-Michielsgestel, 30 november 1993
Op de Louwberg woonde vroeger een boer die Willems heette. Na een nachtdienst bij De Limburger, zag ik toen ik op mijn brommertje naar ons huis in Wolder reed vanaf de Louwberg een rode gloed. Daar leek de zaak wel in brand te staan. Journalist in hart en nieren die ik ben, reed ik er dus snel heen. Op het weggetje langs een boomgaard riep ik naar een figuur, die zich aftekende tegen de vlammen, wat er aan de hand was. En toen kwam van verre een stem die riep: ‘Es dat Max Pomme neet is’. Wat bleek? De zoon van de legendarische Fons van Hees uit Wyck – een vriend van mijn ouders – liep op het bedrijf van Willems stage in de boomgaard. Zijn vader was een flamboyant heer, die meesterlijk piano en dwarsfluit speelde, dirigent was van het kerkkoor van Sint Martinus in Wyck, muzikant was bij de Avanti Kapel en zeer belezen was. In De Limburger verzorgde hij
[p. 71]
lange tijd een rubriek die heette Monumen(ten)taal.Daarin beschreef hij de eeuwenoude gevelstenen van Maastricht. Hetzelfde deed hij met alle grenspalen in Zuid-Limburg. Ook liep hij eens de loop van de Maas na van de oorsprong op het plateau van Langres (in het plaatsje Pouilly-en-Bassigny) tot aan de monding bij Rotterdam.
Zijn drie zonen en zijn dochter Godelieve – je kent haar – waren al even kleurrijk; net als hun vader en hun moeder – beiden helaas overleden – waren ook zij levenskunstenaars en ook zeer muzikaal. De betreffende zoon Paulus stookte in verband met de nachtvorst vuren in de boomgaard van Willems om zo het fruit voor bevriezing te behoeden.
De naam Van Hees en die van de Louwberg en meer die van de Campagne in haar totaliteit zijn voor ons onverbrekelijk met elkaar verbonden. Ook wij liepen toen onze kinderen nog klein waren en we nog in Wolder woonden in deze dreven. Dan gingen we wel naar Château Neercanne, waar je als je er ijsjes bestelde, persoonlijk door de maître de cuisine werd bediend. Die kwam dan met de heerlijkheden op een dienblad van verre over het terras aangelopen. Die van Van Hees waren verwoede wandelaars, die we op een hete zondag tegenkwamen in de buurt van de Louwberg. Pa en Ma liepen ver voorop en de drie jongens sukkelden er achter aan. Ik zal niet licht vergeten hoe een van de drie – wijzend met zijn vinger in de verte waar hij zijn pa vermoedde – zei: ‘Doa löp dee noondesjuuse witte’, want zijn vader stond- hoewel zo kaal als een biljartbal – toch bekend als de Witte Vaan Hees.
[p. 72]
De Witte was een rasechte Maastrichtenaar, die zelfs de familienamen in het Maastrichts vertaalde. Zo was er in die dagen bij de ENCI een Hollander als directeur, een zekere Haasnoot die dus bij Van Hees aldra Haosneut heette. Het begint langzamerhand meer over de familie Van Hees te gaan dan over de Louwberg, maar het zijn dan ook legendarische mensen die ik in onze correspondentie beslist niet wil overslaan. We hebben er een aantal onvergetelijke carnavals mee gevierd en vroeger, toen we nog kinderen waren, uitstapjes mee gemaakt.
Aan het huis de Campagne, heb ik ook heel oude herinneringen. Ik was lid van wat toen werd genoemd de Jongeherencongregatie (en een jongeheer hadden de meesten van ons), die werd bestierd door de paters jezuïeten. De Campagne was vroeger van de jezuïeten en eens in het jaar hielden ze er zogenoemde bezinningsdagen voor de leden van de Jongeherencongregatie. De bezinning is me niet meer bijgebleven, wel de heerlijke eindeloos aangelengde koffie en de boterhammen met peperkoek. Pater Mulders en later pater Douven waren de bezielde geestelijke leiders van de congregatie. Ik hoor Douven nog met een zalvende ‘r’ zeggen dat ‘de congregatie een intregerend deel van het schoolleven moet vormen’. Sommige uitspraken blijven je om onduidelijke redenen tot in lengte van jaren bij. Zo was ik eens, toen mijn haren al op zeer jeugdige leeftijd begonnen uit te vallen, op bedevaart getogen naar het genadeoord Banneux teneinde me te voorzien van enige flessen gewijd water (Silvikrin was nogal duur en hielp ook geen donder) om die over de benarde hoofdhuid te kunnen sprenkelen. Vanuit Maastricht werden de bedevaarten georganiseerd door een
[p. 73]
heer op het Sterreplein, de heer Olivers, die wij ook wel ‘pa Banneux’ noemden. De keer dat ik in Banneux was, sprak hij plechtig: ‘Mensen, gaat opzij dan kunt ge allen de priester zien.’ Dat is een zin die ik nu te pas en te onpas nog altijd bezig en dat veertig jaar na datum.
Wijn werd er in die dagen nog niet op de Louwberg verbouwd: nu wel namelijk op de Apostelhoeve. En ik moet zeggen die is erg lekker, maar ook nogal duur.
In de brief over Wolder heb ik je al geschreven dat wij destijds vanuit de achtertuin van ons huis aan het Vossenvoetpad tot in het Jekerdal konden kijken. Later is de bebouwing opgerukt tot aan de tuin, maar toen waren we er al weg. Je rook er altijd de prei en de uien en in de winter de geur van boerenkool. Je weet toch dat die het lekkerste is als er een nachtvorstje overheen is gegaan.
Groeten
Max


